[145]

In Luxemburg’s Gutland.

Met photographieën van den heer Walter Knapp Jr.1

De Ruïne van Larochette. (blz. 156).

De Ruïne van Larochette. (blz. 156).

Les grands états auraient tort de mépriser les avertissements qu’ils reçoivent des petits pays: il appartient quelquefoisaux petits de donner de grands exemples.”

Geen land ter wereld ongetwijfeld waarop men met meer recht dit zoo juiste woord van den Franschen schrijver G. Valbert2 mag toepassen dan op het groothertogdom Luxemburg, welks zoo verlichte regeering al den tijd dat zij aan het bewind is,—endat is al heel wat jaren!—zoo’n warm hart en open oog toonde te bezitten voor de sociale behoeften des volks en de bevorderingvan diens geestelijk en stoffelijk welzijn. En dank zij de krachtige medewerking van de Kamer der afgevaardigden, is haarhet voorrecht beschoren geweest haar streven in dat opzicht met schitterenden uitslag bekroond te zien. Om die reden alleenreeds zou het voormalige graafschap der Ardennen aanspraak mogen maken op onze hartelijke sympathie en een persoonlijke kennismakingoverwaard kunnen geacht worden, al is tegenwoordig onder den zooveel weidscher naam van Groothertogdom, zijn grondgebied meteen bevolking van niet meer dan 235,000 zielen, beperkt tot nauwelijks het vijfde gedeelte van zijn vroegere oppervlakte,en al moet het ook alle staatkundige beteekenis derven.

Het is hier niet de plaats om zijn grootsch verleden in herinnering te brengen, noch om zijn economischen toestand, zijn staatswezen of staatsinrichtingen, de bronnen van zijn welvaart, de geestelijke stroomingen, die er zich vertoonen,of zijn beteekenis op het gebied van kunst en wetenschap in het licht te stellen. Ik deed dit trouwens reeds elders en kandaarnaar verwijzen.3

Maar in niet mindere mate moet, mijns erachtens, dit kleine land de belangstelling van de bezoekers wekken door de indrukwekkendebouwvallen van middeleeuwsche ridderburchten, die daar vele hoogten bekransen, door het rijke en dankbare onderzoekingsveld,dat het oudheidkundigen, botanisten en mineralogen aanbiedt, bovenal door zijn trotsche wouden van eiken, sparren of beuken,zijn liefelijke valleien en de haar bezoomende heuvelruggen, zijn steile rotsgevaarten, stoute bergkloven en huiveringwekkendeafgronden, zijn kabbelende beekjes en snelvlietende rivieren, in één woord zijn afwisselend natuurschoon. Dit kan in verhevenheidwedijveren soms met dat van Zwitserland, dikwerf met dat van de Saksische Schweiz of den Hartz.

De roep van dat natuurschoon, vroeger slechts bekend hoofdzakelijk aan Duitschers en Belgen, drong eindelijk tot ons vaderlanddoor. En sedert een veertig jaren ongeveer neemt in Luxemburg het bezoek van onze landgenooten gestadig toe.[146]

Verschillende omstandigheden, voor den lezer zonder belang, noopten in 1878 ook mij naar het Groothertogdom mijn schredente richten, om daar eenige weken door te brengen.

En het ging mij als zoo velen anderen.

Wie eens het voorrecht heeft gehad met land en volk kennis te maken—en

...

BU KİTABI OKUMAK İÇİN ÜYE OLUN VEYA GİRİŞ YAPIN!


Sitemize Üyelik ÜCRETSİZDİR!