| I. | IV. | VII. | X. |
| II. | V. | VIII. | XI. |
| III. | VI. | IX. | XII. |
Voor mijne Moeder
De klok, in 't keukentje, riep "koekoe", één keer.Alfons werd half wakker. Hij vroeg zich even, inonduidelijk denken, af, of het soms reeds de echtevogel buiten was, en niet de klok. Hij kon 't nietophelderen; hij sliep dadelijk weer snurkende in.
Toen scheen het hem dat iemand aan zijn venstertikte, en dat een welbekende stem zijn naamriep. Hij wilde opstaan en gaan kijken, maar deslaap van zwaar-drukkende vermoeidheid hield,als met duwende vingers, zijn oogleden dicht, endoofde de inspanning van zijn geest in soezingweer uit.
Toen hoorde hij het eindelijk heel duidelijk: hetdriemaal bonzen op zijn vensterraam, en de stotter-stemvan boer Kneuvels, zijn baas, die riep:
"A... Alfons... 't es ien! Toe,... ge... gemoet opstoan!"
Opeens was hij klaar wakker en wipte uit zijn bed.
"Zij-je 't gij, boas?" riep hij werktuigelijk. Enmeteen, waggelend op zijn nog onvaste beenen, washij bij het raampje en trok het open.
De heerlijk-frissche zomernacht-lucht woei hemals een adem van frisch leven in 't gezicht, en vuldemet een gulle teug van nieuwe krachten zijnbenauwde longen.
"Ghááá!... zuchte hij, diep ademhalend. En inde duisternis zag hij den boer daar buiten staan,een donkere, vaag omlijnde gestalte, tegen zwart-blauwen,flonkerenden sterrenacht.
"Dag Al... Alfons," hakkelde de boer. "Goe...oe weere te weege. Wi... ilt... e gij de Van Doalensgoan roepen, 'k zal ik o... om d'ander goan?"
"Joa ik, boas," antwoordde Alfons, die zich reedsaan 't aankleeden was.
Hol en luid klonken hun stemmen in de stiltevan den nacht. Als een donkere schaduw trok deboer zich terug, en helderder flonkerden in 't vierkantvan het open raampje de levend-tintelende sterrenaan het donkerblauw uitspansel. Alfons stak 'thoofd naar buiten. De boer was reeds onzichtbaar.Heel in de verte blafte hol en dof een hond.
Hij rilde en hoestte even van de frissche lucht,en sloot weer dicht het raampje. Hij stak een nachtpitop en kleedde zich verder aan. Naast zijn kamertjewas dat van zijn oude moeder. Stiller ging hijnu te werk om haar niet te wekken. Maar zij hoordehem toch, en haar stem klonk lijzig en klagend alsdie van een zieke:
"Zij-je 't gij, Fons?"
"Joa ik, moeder."
"Hèt den boer om ou geweest?"
"Joa hij, moeder."
"Hoe loat es 't?"
"Koart noar den ien; sloap moar gerust."
"Zilt-e de deure goed op slot doen?"
"Joa ik, moeder, ge meug gerust zijn."
"Ge moet zeker om de Van Doalens goan?"
"Joa ik, moeder."
Hij hoorde een zucht en een gekraak van 't bed,waarin ze zich scheen om te keeren. Hij was aangekleed,nam zijn klompen in de hand om geen lawaaite maken, blies 't lichtje uit, verliet zijn kamertjeen opende in de duisternis