De Nederlanders
in de
Philippijnsche wateren
vóór 1626.
Aan mijne Ouders. [VII]
Nu de tijd nadert, waarop ik met ditproefschrift mijn studie-jaren aan de Amsterdamsche Universiteit hoopte besluiten, stel ik er prijs op, mijn dank te betuigen aan allen, diemij met hun kunde en ervaring hielpen den weg der wetenschap tebetreden.
In de eerste plaats noem ik u, hooggeachte promotor, prof.H. C. Rogge, wiens colleges enprivatissima mij zooveel hebben geleerd niet alleen, maar van wien ikbovendien (ben ik niet te oneerbiedig) als van een ouderen vriend nietsdan sympathie en hulp ondervond.
Ook u, hooggeleerde C. M. Kan,ben ik veel verschuldigd. Door uw onderwijs geboeid, kwam ik er toeonder uwe leiding de ontdekkingsgeschiedenis te bestudeeren, wat zekervan grooten invloed op de richting mijner volgende studie is geweest,terwijl verder uwe hulp bij het bepalen van oude plaatsnamen door mijten zeerste wordt gewaardeerd.
Ten slotte mijn welgemeenden dank aan u, hooggeleerde[VIII]heeren J. teWinkel, C. C. Uhlenbeck enA. H. G. P. van den Es, voor uwwetenschappelijk onderwijs, zoowel als voor de door u zoovele malenbetoonde belangstelling in mij.
Afzonderlijk wensch ik nog een woord van erkentelijkheid tewijden aan u, hooggeleerde Heeres,voor de groote hulpvaardigheid, waarmede mij alle mogelijke gegevensen inlichtingen door u werden verstrekt.
Verder betuig ik allen, die mij nog van eenigen dienst zijngeweest, hier zeer gaarne mijn dankbaarheid.
Eerst was mijn plan voor het gemak van den lezer bij dit werkjeeen schetskaartje van de Philippijnen te voegen; hiervan ben ikteruggekomen, omdat het kaartje van dien eilandengroep, uitgegeven doorde redactie van de “Telegraaf” dit volkomen onnoodigmaakt. [1]
Zooals overbekend is, waren onze voorouders op heteinde der 16e eeuw de vrachtvaarders van Europa. Zijbrachten de waren uit het Noorden naar het Zuiden en omgekeerd. Vooralop Portugal en Spanje dreven zij ondanks den oorlog veel handel. Welwerd hun overlast aangedaan en moesten zij veel kwellingen verduren:hier werd beslag gelegd op een schip, daar volk geprest of voor deinquisitie gebracht; maar tot een algemeenen, afdoenden maatregel kwamPhilips II nie