| XIII. | XVII. | XXI. | XXV. | XXIX. | XXXIII. | XXXVII. | XLI. | XLV. |
| XIV. | XVIII. | XXII. | XXVI. | XXX. | XXXIV. | XXXVIII. | XLII. | XLVI. |
| XV. | XIX. | XXIII. | XXVII. | XXXI. | XXXV. | XXXIX. | XLIII. | XLVII. |
| XVI. | XX. | XXIV. | XXVIII. | XXXII. | XXXVI. | XL. | XLIV. | XLVIII. |
Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven,na al de drukte vol emotie van den langen, schoonenzomer! Het was of alles om haar heen eenonverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapjewas gezond en flink, en 't boerderijtje ging naarwensch. Alfons was lief voor haar en vroolijk vangemoed; haar ouders, broers en zuster kwamengeregeld haar bezoeken en meer en meer bleek hetdat zij aan 't Geluw Meuleken en aan Vaprijskenuitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zichkalm gelukkig zonder onvoldane wenschen.
En 't glanzend najaar was zoo schitterend enzoo schoon!—Langzamerhand begon de boomgaardte verkleuren en zijn bladeren te verliezen,die als zwermen doode musschen op het groene graslagen gestrooid. Soms woekerden en tjilpten heeletroepjes echte musschen in de bruine droge bladerenen als ze dan onder een windje opstoven en doorelkander warrelden, was het of de bladeren musschenen de musschen bladeren waren. Hier endaar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peerof appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtjeop de hoogste, naakte twijgen van de vruchtboomenen aan beide kanten van den landweg geeldenook de populierenkruinen in de wazig-blauwelucht. Hier en daar ook zweefde nog in de stil-glinsterendezonne-luwte een late zomervlinder, metals 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerkenvan fluweeli